Try it out
Lees hoofdstuk 1
Waarom ik een christen ben
 
Boek kaft: Waarom ik een christen ben

Hoofdstuk 1

DE HEMELSE JAGER

Het uitgebreide vliegverkeer en de elektronische media hebben ons meer dan ooit tevoren bewust gemaakt van de grote hoeveelheid religies in de wereld. Hoe kunnen we daar nu ooit de juiste keuze uit maken? Vanuit allerlei verschillende richtingen wordt onze aandacht opgeëist. Waar zullen we naar gaan luisteren? Ons wordt een echt religieus smorgasbord (Scandinavisch buffet) voorgehouden. Van welke schaal zullen we iets kiezen? In ieder geval: leiden niet alle religies naar God?
Tegen deze pluralistische achtergrond wil ik de vraag beantwoorden: ‘Waarom ben ik christen?’ Sommige lezers zullen van mij een antwoord verwachten in de trant van: “Ik ben christen omdat ik toevallig geboren ben in een overwegend christelijk land. Mijn ouders waren randkerkelijk, ik heb op een christelijke school gezeten en ik heb een opvoeding gehad die je in principe christelijk zou kunnen noemen.” Met andere woorden, mijn geboorte, mijn ouders en de opvoeding die ik gehad heb, hebben bepaald dat ik christen ben. En dat is natuurlijk ook zo. Maar het is slechts een deel van de waarheid. Want ik had net zo goed mijn christelijke erfenis kunnen afwijzen, iets dat veel mensen doen. En er zijn ook veel mensen die christen geworden zijn, maar geen christelijke opvoeding gehad hebben. Dat is dus niet het volledige antwoord.
Andere mensen verwachten misschien van me dat ik zoiets zal antwoorden als: “Op 13 februari 1938, ik was toen bijna zeventien, nam ik de beslissing dat ik volgeling van Christus wilde worden. Een dominee preekte toen over de vraag die Pilatus stelt: ‘Wat moet ik dan doen met Jezus die de Messias wordt genoemd?’ Tot op dat moment had ik er geen idee van dat ik iets moest doen met Jezus, die de Messias genoemd wordt. Maar in antwoord op de vragen die bij mij leefden, zette de predikant de stappen uiteen die genomen moeten worden om tot Christus te komen. Hij wees daarbij vooral op de woorden in Openbaring 3:20, waar Jezus zegt: ‘Ik sta voor de deur en klop aan. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal ik binnenkomen, en we zullen samen eten, ik met hem en hij met mij.’ En dus opende ik die avond, geknield naast mijn bed, de deur van mijn hart voor Christus, en nodigde Hem uit om binnen te komen als mijn Redder en mijn Heer.”
En dat is ook waar, maar het geeft ook slechts één kant van de waarheid weer.
De belangrijkste factor ligt elders, en juist daarop wil ik me in dit eerste hoofdstuk concentreren. Waarom ik christen ben is uiteindelijk noch aan de invloed van mijn ouders en leraren toe te schrijven, noch aan mijn eigen persoonlijke beslissing om volgeling van Christus te worden, maar aan ‘de hemelse Jager’. Dat wil dus zeggen, aan Jezus Christus zelf, die mij zonder ophouden achtervolgd heeft, zelfs in tijden dat ik van Hem probeerde weg te komen om mijn eigen weg te gaan. En zonder die zegenrijke achtervolging door de hemelse Jager, zou ik nu ook op de schroothoop van verknoeide en afgedankte levens liggen.

FRANCIS THOMPSON
‘De hemelse Jager’. Het is een treffende uitdrukking, bedacht door Francis Thompson, wiens levensverhaal en gedicht uitgebreid behandeld worden door R. Moffat Gautrey in zijn boek This Tremendous Lover.1
Francis Thompson was een heel eenzaam kind dat weinig liefde kreeg en jammerlijk mislukte in zijn pogingen om achtereenvolgens rooms-katholiek priester, dokter (net als zijn vader), en militair te worden. Hij kwam uiteindelijk in Londen terecht waar een christelijk echtpaar zijn dichterlijke gaven onderkende en hem van de ondergang redde. Door al die jaren heen ervoer hij steeds dat gevoel van zelf iets na te jagen en tegelijkertijd ook achterna gezeten te worden, wat hij heel mooi verwoord heeft in zijn gedicht ‘De hemelse jager’. Zo begint het:

Ik vlood Hem, vlood Hem nachten, dagen door;
   Ik vlood Hem door der jaren zuilengang;
Ik vlood Hem door de labyrinthen-paân
   van eigen geest; voor Hem verborg ik mij
in tranen mist en onder golvend lachen.
   ’k Vloog naar verschiet van hoop;
   en schoot, van steilten stormend,
Titanen-duister door van gapende angst
 Weg van die sterke Voeten, me aldoor, aldoor volgend.
  Maar jagend onverhaast,
  Met onverstoorde stap,
Bezonnen spoed, aandrang vol majesteit,
  Vervolgen zij – en volgt
  Een stem, die meer nog dringt –
“Alles verraadt u, mens, die Mij verraadt.”2

Aanvankelijk was R.M. Gautrey ontstemd over de titel van het gedicht ‘De hemelse Jager’. Is het wel gepast, zo vroeg hij zich af, om God met een jachthond te vergelijken? Maar later zag hij in dat er zowel goede als slechte jachthonden zijn, en dat vooral de border collies die de Schotse Hooglanden afzoeken naar verdwaalde schapen, voortreffelijk werk verrichten. Hij besefte ook dat het thema van de zoekende schaapherdershond (of, om het iets preciezer uit te drukken, de zoekende schaapherder), zowel in het Oude als het Nieuwe Testament voorkomt. Het laatste vers van Psalm 23 zegt er dit over:

Geluk en genade volgen mij
   alle dagen van mijn leven,
ik keer terug in het huis van de HEER
   tot in lengte van dagen.

Gautrey wijst er hier op dat het Hebreeuwse woord, dat hier door het min of meer neutrale werkwoord ‘volgen’ vertaald is, eigenlijk door een krachtiger woord vertaald zou moeten worden, bijvoorbeeld: “Geluk en genade hebben jacht op me gemaakt, hebben me niet met rust gelaten, hebben me mijn hele leven achternagezeten.”3 Gautrey vervolgt: “Het is een achtervolging, geduldig maar doelgericht, liefhebbend maar niet aflatend.”4 Jezus zelf heeft ook de metafoor van de schaapherder gebruikt:

Jezus vertelde hun toen deze gelijkenis: ‘Als iemand van u honderd schapen heeft waarvan er één verloren is geraakt, laat hij dan niet de negenennegentig andere in de woestijn achter om naar het verdwaalde dier op zoek te gaan tot hij het gevonden heeft? En als hij het gevonden heeft, legt hij het vol vreugde op zijn schouders en gaat hij naar huis. Daar roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tegen hen: “Deel in mijn vreugde, want ik heb het schaap gevonden dat verdwaald was.” Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die tot inkeer komt dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen inkeer nodig hebben.’ (Lucas 15:3-7)

Gautrey verdeelt het gedicht in vier strofen. De eerste noemt hij ‘De vlucht van de ziel’, want de dichter beschouwt zichzelf als iemand die vlucht voor de eisen die het volgelingschap aan hem stelt. De tweede krijgt als titel ‘Het zoeken van de ziel’, waarin de ziel overal naar vervulling van zijn verlangens zoekt, maar die niet kan vinden. De derde strofe geeft hij de titel ‘De impasse van de ziel’, omdat hij ontdekt heeft dat een leven zonder God zinloos is. In de vierde strofe, ‘De aanhouding van de ziel’, capituleert hij ten slotte voor de liefde van Christus. Christus zegt tegen hem:

  “Helaas, gij weet nog niet,
Hoe weinig ge iemands liefde waardig zijt!
Wien vindt ge om u te minnen, nieteling,
  Dan Mij, dan Mij alleen?”5

In iedere strofe kunnen we het geluid van de voetstappen van ‘deze ontzagwekkende minnaar’ horen, totdat de jacht ten slotte voorbij is:

“Al wat Ik van u nam, dat nam Ik slechts,
   Niet tot uw scha,
Maar juist, dat ge in Mijn armen ’t zoeken zoudt...
   Grijp Mijn hand en kom!”6

Francis Thompson heeft hier dingen verwoord die voor iedere christen gelden, in ieder geval wel voor mij. Als wij Christus liefhebben, is dat alleen maar omdat Hij ons eerst heeft liefgehad (1 Johannes 4:19). Als we werkelijk christen willen zijn, dan is dat niet omdat wij de beslissing genomen hebben om volgeling van Christus te worden, maar omdat Christus zelf voor ons gekozen heeft, dankzij de achtervolging van ‘deze ontzagwekkende minnaar’.
Als bewijs dat het initiatief van Hem komt, vraag ik u om met mij opnieuw te kijken naar de bekering van Saulus van Tarsus, en daarna naar een drietal christelijke biografieën. Tot slot kom ik dan nog kort terug op ons, op mijzelf die dit voor u schrijft, en op u die dit leest.

SAULUS VAN TARSUS
Als eerste wil ik het hebben over Saulus van Tarsus. Zijn bekering is de bekendste uit de hele geschiedenis van de christelijke kerk. Er zijn echter ook mensen die daar problemen mee hebben, met als argument dat ze nog nooit een plotselinge ‘Damascusweg-ervaring’ gehad hebben. Sta hier echter eens even bij stil, want de bekering van Saulus was helemaal niet zo onverwachts. Bent u daar verbaasd over? Natuurlijk, het is waar dat hij plotseling omstraald werd door een licht uit de hemel, dat hij op de grond viel en dat Jezus tegen hem sprak. Maar de abrupte tussenkomst van Jezus was zeer zeker niet de eerste keer dat Hij tot hem sprak. Dit was integendeel de climax van een langdurig proces. Hoe we dat weten? Daarvoor wil ik u wijzen op Handelingen 26:14 waar staat: ‘We vielen allen op de grond en ik hoorde een stem in het Hebreeuws tegen me zeggen: “Saul, Saul, waarom vervolg je mij? Je kwelt jezelf door je zinloze halsstarrigheid!”’
De letterlijke vertaling van deze zin uit het Grieks is: ‘Je kwelt jezelf alleen maar door de verzenen tegen de prikkels te slaan.’ Je zou het Griekse woord kentron kunnen vertalen met ‘aansporing’, ‘zweep’, of ‘prikstok’ (van een veedrijver). In het klassieke Grieks, vanaf de tijd van Aeschylus, werd dit woord vaak in figuurlijke betekenis gebruikt. Zo ook in het boek Spreuken:
   Een zweep voor het paard, een teugel voor de ezel,
    een stok voor de rug van een dwaas. (26:3)

Met zijn woorden tegen Saulus vergelijkt Jezus zich met een boer die een weerspannige stier zijn hok in drijft, of met een paardentrainer die een nogal uitgelaten jonge hengst aan het dresseren is. De bedoeling van deze vergelijking is duidelijk: Jezus liet Saulus niet los, Hij spoorde hem aan, en prikte hem. Maar Saulus verzette zich ertegen, en het was zwaar voor hem en pijnlijk, ‘achteruitslaan tegen de prikkels’ was zinloos.
Vanzelfsprekend komt dan de vraag op, wat dat dan voor prikkels waren waarmee Jezus Saulus aanspoorde. Hoewel dat niet specifiek vermeld wordt, kunnen we die informatie wel vinden in het boek Handelingen en in bepaalde biografische fragmenten in de latere brieven van Paulus.

1. Jezus prikkelde Saulus in zijn verstand. Saulus had zijn opleiding gekregen in de stad Jeruzalem van Gamaliël, waarschijnlijk de bekendste Joodse leraar uit de eerste eeuw na Christus. Saulus was op theologisch gebied dus goed ingevoerd in de Joodse leer en gebruiken, en in moreel opzicht streefde hij ernaar de wet zo veel mogelijk na te leven. In die dagen was hij er verstandelijk gezien volkomen van overtuigd dat Jezus van Nazaret niet de Messias was. Het was voor hem gewoon ondenkbaar dat de Joodse Messias door zijn eigen volk afgewezen zou kunnen worden om daarna te sterven, ogenschijnlijk onder de vloek van God, want in de wet staat dat op een gehangene ‘Gods vloek’ rust (Deuteronomium 21:23). Nee, nee, Jezus moest wel een bedrieger zijn. En daarom zag Saulus het als zijn duidelijke taak om zich tegen Jezus te verzetten en zijn aanhangers te vervolgen. Dit was zijn vaste overtuiging. In zijn onderbewuste echter was hij vol twijfels, vanwege alle geruchten die over Jezus de ronde deden: de aantrekkingskracht en het gezag dat van zijn prediking uitging, de vriendelijkheid en mildheid van zijn karakter, zijn barmhartige houding ten opzichte van de armen, zijn wonderbaarlijke genezingen, en vooral de aanhoudende geruchten dat zijn dood niet het einde voor Hem had betekend, want er waren mensen die beweerden dat ze Hem na zijn dood gezien, aangeraakt en met Hem gesproken hadden. Hij wist niet goed meer wat hij van dit alles moest denken.

2. Jezus prikkelde Saulus in zijn herinnering. Saulus was naar alle waarschijnlijkheid aanwezig geweest bij de rechtszaak voor het Sanhedrin van een christelijk leider, genaamd Stefanus, die door Lucas beschreven wordt als ‘een diepgelovig man, die vervuld was van de heilige Geest’ (Handelingen 6:5). Dit laatste was niet alleen zomaar iets wat hij van anderen had gehoord, want Saulus had met eigen ogen gezien dat het gezicht van Stefanus leek op dat van een engel (Handelingen 6:15). Hij had zelf de woorden gehoord waarmee Stefanus zich verdedigd had, en hoe deze aan het eind gezegd had dat hij de luister van God zag en ‘de Mensenzoon, die aan Gods rechterhand staat’ (Handelingen 7:55-56). En daarna, toen de mensen Stefanus de stad uit gedreven hadden, hadden ze hun kleren bij Saulus in bewaring gegeven. Lucas schrijft dan verder: “Terwijl Stefanus gestenigd werd, riep hij uit: ‘Heer Jezus, ontvang mijn geest.’ Hij viel op zijn knieën en riep luidkeels: ‘Heer, reken hun deze zonde niet aan!’ En na deze woorden stierf hij” (Handelingen 7:59-60).
Saulus moet haast wel tegen zichzelf gezegd hebben: “Er is iets vreemds aan die christenen. Ze zijn ervan overtuigd dat Jezus van Nazaret de Messias is en ze dragen dat ook uit, ze zijn zelfs bereid ervoor te sterven. Ze weigeren bovendien wraak te nemen op hun vijanden, en in plaats daarvan bidden ze voor hen.” Jezus prikkelde zijn herinnering, hij kon de gedachte aan Stefanus niet van zich afzetten.

3. Jezus prikkelde Saulus in zijn geweten. Saulus was, net als alle Farizeeën, een buitengewoon rechtvaardig man. Hij leidde een smetteloos leven en was van onbesproken gedrag, en zoals hij ook in een van zijn latere brieven schreef, voldeed hij volledig aan wat er in de wet over gerechtigheid staat (Filippenzen 3:6). Maar toch was die smetteloze gerechtigheid waar hij naar zijn eigen mening aan voldeed een louter uiterlijke naleving van de eisen die de wet aan hem stelde. Naar buiten toe had hij de voorschriften en geboden van de wet opgevolgd, maar in zijn hart realiseerde hij zich dat hij een zondig mens was. Hij zou, net als C.S. Lewis jaren later, gezegd kunnen hebben: “Voor de eerste keer deed ik op een serieuze manier aan zelfonderzoek. Ik onderzocht mijzelf voor het eerst met een serieuze praktische bedoeling. En daar trof ik ontstellende dingen aan: een dierentuin vol begeerten, een gekkenhuis vol ambities, een kleuterklas vol angsten, een harem vol gekoesterde haatgevoelens. Mijn naam was Legioen.”7 Het laatste van de tien geboden was voor Saulus het gebod dat hem deed inzien dat hij schuldig was. Met de eerste negen geboden kon hij redelijk omgaan, omdat ze alleen maar te maken hadden met zijn woorden en zijn daden. Maar het tiende gebod veroordeelde de begeerte. En begeerte is geen daad, geen woord, maar een verlangen, een onverzadigbare hebzucht. En in een aangrijpende beeldspraak schrijft hij in Romeinen 7 dat het tiende gebod zijn dood veroorzaakte:

Ik ben me echter pas door de wet bewust geworden van de zonde. Ik zou immers niet weten wat begeerte was als de wet niet zei: ‘Zet uw zinnen niet op wat van een ander is.’ Maar de zonde heeft van het gebod gebruik gemaakt om begeerten in mij op te wekken, want zonder de wet is de zonde krachteloos. Eens leefde ik zonder de wet, maar door de komst van het gebod kwam de zonde tot leven en daardoor stierf ik. (Romeinen 7:7-9)

4. Jezus prikkelde Saulus in zijn ziel. Ik gebruik dit woord om daarmee dat gedeelte van ons wezen aan te duiden dat zich bewust is van de transcendente werkelijkheid van God. Saulus had natuurlijk al vanaf zijn vroegste jeugd in God geloofd. Hij had getracht om al van jongs af aan God met een zuiver geweten te dienen, en toch besefte hij dat hij los stond van de God waar hij zo in geloofde. Hij geloofde wel in Hem, maar hij kende Hem niet. Hij was van Hem vervreemd. Hij geeft dat ook aan in de tekst die ik hierboven geciteerd heb: “door de komst van het gebod kwam de zonde tot leven en daardoor stierf ik”. Om het met de woorden te zeggen die hij later zou gebruiken, hij was “dood door de misstappen en zonden” (Efeziërs 2:1), vervreemd van de levendmakende God.
Dit, zo stel ik me voor, waren de prikkels waarmee Jezus Christus Saulus van Tarsus aanspoorde, en waar Saulus tot zijn eigen schade steeds weer mee te maken kreeg. Hij prikkelde hem in zijn verstand (door hem met twijfel te vervullen of Jezus nu wel of niet een bedrieger was). Hij prikkelde hem in zijn geheugen (door hem steeds weer het gezicht van Stefanus in herinnering te brengen, de woorden die hij sprak, de waardigheid van zijn optreden en zijn dood). Hij prikkelde hem in zijn geweten (door hem te veroordelen voor zijn zondige verlangens). En Hij prikkelde hem in zijn ziel, in die enorme leegte van de vervreemding. Op deze manieren had Jezus Saulus jarenlang geprikkeld en aangespoord, en hem pijn gedaan, louter en alleen om hem te kunnen genezen. En juist het fanatisme waarmee Saulus Christus en daarmee zijn gemeente vervolgde, gaf aan hoe onzeker hij zich voelde. En dus, toen Jezus op de weg naar Damascus aan hem verscheen, was dat de abrupte climax van een geleidelijk proces. Saulus gaf zich ten slotte over aan degene tegen wie hij zo lang gevochten had en voor wie hij zo lang op de vlucht was geweest.

Recensies uit de krant
11-2-2008CV Koers
1-7-2008Groei Zomer 2008
14-10-2013NBD/Biblion
Recensies van lezers
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584