Lees hoofdstuk 1
Vredeskind
 
Boek kaft: Vredeskind

1

Afgezant naar Haenam

Bij het eerste licht van de opgaande zon tuurde Yae, door de vloerlatten van zijn paalwoning in het Maoero dorp, naar het donkere wateroppervlak van de Kronkelrivier, die twaalf meter onder hem voortstroomde. Zijn rustige zwarte ogen keken hoe de bladeren langzaam voorbijdreven op het rimpelloze oppervlak. De blaadjes dreven stroomafwaarts, maar gingen steeds langzamer, een bewijs dat de opkomende vloed op de Arafoera zee, vijfendertig kilometer naar het westen, de langzame stroom naar zee van de Kronkel begon af te dammen. Binnenkort zou de rivier door de vloed de andere kant op gaan stromen. Enkele uren lang zou de zee de zwarte, door algen bezoedelde Kronkel, terugdringen in de reusachtige baarmoeder van het zuidelijke moeras van Nieuw – Guinea, waaraan de rivier zijn ontstaan te danken had. Yae had dit ogenblik afgewacht om zijn reis stroomopwaarts te beginnen, meegestuwd door de stroom.
De vrouw van Yae, Kaoetap, zat met gekruiste benen bij de kookplaats midden in de paalwoning. Haar jongste kind, dat nog geen naam had, lag op haar schoot te slapen ingebed in de dikke bossen gras waarvan haar rok was gemaakt. Voorovergeleund over haar baby sprenkelde Kaoetap water uit een baboefles over het witte sagomeel, dat op een stuk boombast vóór haar was uitgestrooid. Langzaam kneedde zij meel en water tot een deeg, gehinderd door de rook van het smeulende vuur dat in haar ogen kwam. Haar oudste kind, de twee jaar oude Miri, zat tevreden naast haar te spelen op een gevlochten mat. Zijn enige stuk speelgoed was een menselijke schedel met trieste oogholten, die vaag omhoog staarden naar het zwartberookte plafond. De schedel, die al een mooie okergele glans had gekregen in de vele jaren dat hij liefderijk van hand tot hand was gegaan, werd bewaard als aandenken aan de reeds lang gestorven vader van Yae en tevens als fetisj om boze geesten af te weren. Voor kleine Miri was hij alleen maar een glimmend stuk speelgoed.
Yae zei tegen Kaoetap zonder zich naar haar om te keren: ‘Oevoer haramavi maken; doe famoed es! Het tijd staat op het punt te keren. Maak meteen mijn sago klaar!’
Haar lenige, zwarte vingers kneedden het vochtige sagodeeg tot een lange dunne rol en legden die in johom-bladeren gewikkeld tussen de gloeiende kooltjes. Yae deed intussen zijn sieraden aan om klaar te zijn voor vertrek. Hij sloeg een kort grasrokje om zijn naakte lendenen, een rokje dat bij de Sawi’s alleen gedragen mocht worden door mannen die in de strijd een vijand hadden gedood. Hij had drie van zijn slachtoffers het hoofd afgehakt. Dat werd aangegeven door drie armbanden van glimmende wilde-zwijnen-slagtanden, die hij om zijn linker elleboog droeg.
Zijn dapperheid op de jacht werd vervolgens aangetoond door zijn soedafen, een meter lange halsketting van dierentanden die hij in twee lussen om zijn nek deed. Elk wild zwijn, elke krokodil, hond of buideldier dat hij had gedood, had één tand bijgedragen aan de halsketting. Repen fijn gevlochten rotan omsloten zijn beide armen onder en boven de spieren en zijn benen vlak onder zijn knieën. In het doorboorde tussenschot van zijn neus stak hij trots een hol botje van twaalf centimeter lengte, met aan weerskanten een scherpe punt. Het was gemaakt van het dijbeen van een varken.
Als hij op reis was gegaan om een nachtelijk dansfeest bij te wonen, zou hij nog andere sieraden hebben aangetrokken: een vuurrode pluim van paradijsvogelveren, een hoofdband van goud en bruin bont van een buideldier, een bos witte kakatoeveren, en tevens witte en rode lichaamsverf, gemaakt van fijngestampte schelpen en rode aarde. Maar Yae’s zending was zuiver diplomatiek en niet feestelijk. Hij vond het dus wel voldoende zich op te tuigen met het wit en goud van glimmende beenderen en gevlochten rotan. Kaoetan nam een tang, haalde het sagobrood uit de kooltjes, wreef de verkoolde bladeren eraf en gaf het dampende ‘moerasbrood’ aan haar man. Yae at er de helft van op en deed de andere helft in zijn sago-draagtas van gevlochten vezels, samen met een stuk varkensvlees dat Kaoetap al eerder boven het vuur had gerookt. Hij hing de draagtas over zijn schouder en haalde zijn twee meter lange boog van zwart palmhout uit het wapenrek boven zijn hoofd. Aan het ene uiteinde van de boog zat een punt, gemaakt van de naaldscherpe klauw van een casuaris, waardoor het wapen in een gevecht van man tegen man als speer kon worden gebruikt. Yae pakte ook een handjevol bamboepijlen met vlijmscherpe punten. Hij nam boog en pijlen in de ene hand en pakte tenslotte zijn pagaai die, samen met zijn oorlogsschild, trommel, stenen bijl, speer, kano en boog, de belangrijkste onderdelen van zijn aardse bezit waren.
De pagaai was een mooi voorbeeld van het kunstgevoel van de Sawi’s. Hij was gemaakt uit een enkel stuk roodbruin ijzerhout van twee en een halve meter lengte en had een breed rechthoekig blad, versierd met houtsnijwerk van exotische figuren, terwijl de steel aan de bovenkant uitliep in een mooi uitgesneden voorouderfiguur. Boven deze voorouder waarschuwden de typische houten weerhaken en kasuarisklauw dat Yae’s pagaai, evenals zijn boog, tevens dienst kon doen als speer.
Yae stapte op de voorgalerij van zijn paalwoning. Rondom hem leken de zes andere paalwoningen van het dorp Maoero, met hun primitieve bochelige broodvorm, te zweven in het gouden waas van de morgen. De huizen waren zowat vijftien meter lang en varieerden van tien tot vijftien meter hoogte boven de grond, waardoor zij op hun lange spichtige boombenen hoog uitstaken boven het dichte struikgewas. Bovendien stonden er nog vier grote huizen op een hoogte van minder dan zes meter.
Niet alle Sawi-gezinnen hadden lust en energie om paalwoningen te bouwen. Velen gaven er de voorkeur aan iets minder veilig te zijn voor onverwachte aanvallen dan de bewoners van de paalwoningen, die een vrij uitzicht over de hele omtrek hadden. In een hoge paalwoning konden vrouwen en kinderen betrekkelijk veilig bijeenhokken, terwijl hun mannen, vaders en broers pijlen lieten neerregenen op een aanrukkende vijand, of zelfs afdaalden naar de grond om de vijand te lijf te gaan in waroe min, ‘speerspel.’
Toen Yae de hoge, met lianen bevestigde ladder begon af te dalen, verhief Kaoetap op klagende toon haar stem. ‘Waarom ga je zo vaak naar Haenam? Krijg je geen koude rillingen als je daarheen gaat?’
Yae daalde verder omlaag, ‘Als ik daar geen vrienden had, zou ik niet gaan,’ was zijn enige antwoord. Yae liep de ladder die in de beschutting van de paalwoning stond, helemaal af, zonder hem met een vinger aan te raken, in volmaakt evenwicht op de gammele treden. Aan de voet van de ladder zat zijn jongste broer Sao in elkaar gedoken op een boomstam, rillend van de malaria. Hij trachtte tevergeefs enige warmte op te vangen van de morgenzon die nu fel op het dorp scheen en damp deed opstijgen van het bedauwde gebladerte. Yae sprak hem bemoedigend toen, maar Sao kon nauwelijks antwoorden van het klappertanden.
Een paar meter stroomafwaarts stond Yae’s neef Wasi, met zijn drie vrouwen, het gereedschap in een kano te laden om naar de bossen te gaan en sago te hakken. Yae riep Wasi toen: ‘Ik ga naar Haenam. Ik kom kort na donker terug. Ik ga mijn vrienden daar uitnodigen voor ons bisim dansfeest bij nieuwe maan.’
Wasi wenste hem succes met zijn missie, stapte in de achterste punt van zijn smalle, holle boomstam en zette zich af naar de vaargeul. Zijn drie vrouwen stonden helemaal voor in het tien meter lange schuitje, twee van hen met de baby’s in een slendang op de rug. De drie vrouwen hieven gelijktijdig hun pagaaien, en de kano voer stroomafwaarts naar de mond van de smalle zijrivier die naar het sago-moeras leidde. Van een klein hoopje gloeiende kooltjes zouden zij later het vuur maken om hun middagmaal te koken van de verse sago die zij zouden oogsten in het moeras.
Yae legde pijl en boog in zijn kano en stapte in. Met een stevige, welgerichte haal wendde hij zijn scherpgepunte bootje stroomopwaarts, precies op het ogenblik dat de blaadjes op het water geheel tot stilstand waren gekomen op hun reis naar zee. Toen hij om een verre bocht van de rivier verdween, dreven de blaadjes stroomopwaarts achter hem aan.
Kaoetap bleef haar man lang nakijken, met een ongerust gezicht dat bruin was van de rook. Toen begon de baby op haar schoot te bewegen en te huilen. Zij hield het kind aan de borst en gaf het te drinken. Vurig wenste ze dat Yae zijn drieste plannen om een verbond tussen Maoero en Haenam te sluiten zou laten varen.

Een werveling van schreeuwende kakatoes vloog weg, toen Yae’s kano plotseling te voorschijn kwam van onder het beschuttende gebladerte aan de rand van de rivier, nog steeds in stroomopwaartse richting. Een krokodil, die lag te dommelen op de punt van een half verzonken boomstam, werd wakker van hun gekrijs. Hij gaapte met open muil naar Yea om daarna met een plons in het water te duiken, zijn machtige staart recht omhoog, en in de diepte te verdwijnen.
Yea gleed verder naar de volgende bocht en voer die om, terwijl hij nog eens nadacht over de verschillende gebeurtenissen die hem gemaakt hadden tot Maoero’s enige afgezant naar het Sawi-dorp Haenam stroomopwaarts. Zeven maanden tevoren had Yae onverwacht een groep van vijf mannen uit Haenam ontmoet, toen hij wilde ganzen jaagde in de buurt van de bron van het riviertje de Aym. Yae was onmiddellijk neergedoken in zijn kano om zijn boog te grijpen, maar de grootste van de vijf vreemdelingen had hem snel begroet.
‘Konahari! Laat je boog maar liggen! Ik ken je – je naam is Yae en ik ben familie van je!’ zei de grote vreemdeling.
Yae hief voor alle zekerheid zijn boog op, maar legde er geen pijl op. In plaats daarvan vroeg hij: ‘Hoe heet je?’
‘Mijn naam is Kaoewan. Ik ben de jongste zoon van je moeders stiefvader,’ was het antwoord.
‘Wat doe je op de Aym? Je bent zeker aan het spioneren met je vrienden,’ zei Yae uitdagend.
‘Helemaal niet,’ zei Kaoewan. ‘Vanmorgen heb ik een wild zwijn aangeschoten. We hebben zijn bloedspoor tot hier gevolgd. Kijk maar, daar is het verse bloed in het gras, en hier zijn de sporen waar het zwijn zich daarnet in de modder heeft gewenteld.’
‘Kom, ik wil je omarmen! We zijn nog familie!’
Yae had zijn moeder wel over Kaoewan horen praten, maar toch aarzelde hij nog. Kaoewan nam daarop een klein stukje scherpe bamboe uit zijn draagtas en sneed een lok van zijn dikke zwarte haar, wikkelde het in een blad en gaf het aan Yae.
Gerustgesteld door dit algemeen aanvaarde teken van oprechtheid, pagaaide Yae dichter naar de mannen toe, nam de gift van Kaoewan in ontvangst en deed die in zijn eigen draagtas. Door deze gave had Kaoewan getoond dat hij meer wenste dan alleen een voorbijgaande kennismaking met Yae.
De beide mannen omarmden elkaar, terwijl Kaoewans vier metgezellen blijk gaven van hun instemming. En op dat ogenblik deed Kaoewan zijn voorstel.
‘Yae, moet je eens horen. Al een tijdlang krijgen wij aanvallen te verduren van de Kajagars uit het oosten en we hebben al heel veel krijgers verloren. Daarom wensen wij vrede met Maoero, zodat wij veilig die kant op kunnen gaan om sago te hakken bij onze westelijke grens. Ik heb de mannen van Haenam ervan overtuigd dat wij één man nodig hebben om dienst te doen als tussenpersoon – iemand die vrijelijk heen en weer kan gaan tussen jouw dorp en het mijne. En het lijkt me dat jij de aangewezen man bent. Ik stel je hierbij aan als die tussenpersoon. Als je mijn voorstel aanneemt, kom dan vandaag over drie dagen in ons dorp. Ik zal je opwachten om je veiligheid te waarborgen als je aankomt.’
Kaoewans vier vrienden hadden eraan toegevoegd dat ook zij zo nodig met hun eigen leven voor dat van Yae zouden instaan.
Yae’s hart begon sneller te kloppen. Zijn stamgenoten in Maoero hadden zich ook al beklaagd over de hevige aanvallen die zijn moesten verduren van de Asmats in het westen. Als er vreedzame relaties met Haenam werden opgebouwd, zouden de rijpe sagopalmen, die nu nog onbereikbaar waren in het niemandsland tussen Haenam en Maoero, veilig geoogst kunnen worden. Zijn stam hoefde zich dan niet langer dicht aan de grens van de Asmats te wagen om aan eten te komen. Na verloop van tijd zouden Haenam en Maoero zelfs kunnen overwegen zich bij elkaar aan te sluiten, om beslissende klappen uit te delen zowel aan de Asmats als aan de Kajagars. Beide dorpen zouden dan aan weerskanten voorlopig veilig zijn. Als voornaamste aanstichters van dat verbond konden Yae en Kaoewan er beiden op rekenen op te klimmen tot nieuwe hoogten van prestige binnen het Sawi-wereldje. Mannen uit andere Sawi-stammen, met huwbare dochters, zouden dan zeker geneigd zijn een paar van die dochters toe te zeggen aan Yae en aan Kaoewan, waardoor de grootste wens van een Sawi – een harem van vijf gezonde vrouwen – dichter binnen hun bereik zou komen.
Yae had al twee vrouwen veroverd, maar tot zijn verdriet had één van hen framboesia gekregen en was weggeteerd met stinkende etterende wonden, tot zij tenslotte was doodgegaan en hij alleen Kaoetap nog over had. Sinds de dood van zijn tweede vrouw was Yae’s verlangen naar een plaatsvervangster, en nog meer vrouwen, een knagende obsessie geworden. Nu leek onverwacht de vervulling van deze hartenwens binnen zijn bereik, als hij er zich tenminste toe kon brengen in de belofte van Kaoewan en diens vier vrienden te geloven. Yae keek Kaoewan met kritische blik aan. Kaoewans ogen straalden van zichtbare oprechtheid. Dat hij enige verwantschap met Yae’s moeder had, was een geruststellend feit. Ook had hij vrijwillig een lok van zijn haar aan Yae overhandigd. Wat zijn verhaal betreft over de last die Haenam met de Kajagars had, waardoor ze steeds verder naar het westen werden teruggedrongen – Yae had dat al gehoord.
Daar stond tegenover dat Yae wist dat er een aantal mannen uit de Kangae-stam in Haenam woonden, die nog steeds tegen Maoero op wraak zinden. Hoe kon hij er zeker van zijn dat Kaoewan en zijn vrienden sterk genoeg zouden zijn om hem te beschermen, als de Kangae-partij besloot wraak te nemen op Yae, zodra hij zich vertoonde? De vier armbanden van zwijnenslagtanden om Kaoewans linker elleboog bewezen, dat Kaoewan een krijger was met wie niet viel te spotten. Maar misschien had Kaoewan hechtere banden met de Kangae-partij dan met Yae’s moeder.
Voorzichtig en sluw begon Yae hem te ondervragen, om zijn verhouding met de Kangaes te peilen. Kaoewan raadde meteen waar hij heen wilde en verzekerde Yae dat de hoofden van de Kangaes al hadden gezegd dat zij een stoffelijk blijk van goede wil zouden aannemen als zoenoffer en geen mensenleven zouden eisen. Enige goederen zouden een lage prijs zijn voor alles wat Yae van deze transactie hoopte te winnen.
Maar toch besloot Yae zijn beslissing uit te stellen tot na een verdere proefneming. Hij inviteerde Kaoewan en zijn vier vrienden om hem te vergezellen voor een kort bezoek aan Maoero en de zaak verder te bespreken. Als zij bereid waren bij een dergelijk waagstuk op zijn bescherming te vertrouwen, zou dit een verder bewijs zijn dat hun verlangen naar vrede met Maoero echt was.
Kaoewan antwoordde met een brede glimlach: ‘Wij zouden niets liever doen dan met je meegaan, maar onze vrouwen en kinderen staan bij de Hanai rivier te wachten tot we terugkomen met varkensvlees. We moeten onze prooi voor donker nog zoeken, slachten en thuisbrengen.’
Dit was een aannemelijke reden, dacht Yae. Nu moest hij zijn beslissing nemen zonder verdere test. Als hij het voorstel afsloeg, zou later misschien iemand anders uit Maoero dezelfde eer te beurt vallen die Kaoewan hem nu bood, en als die ander zou toehappen, zouden hém de eerbewijzen die eruit zouden voortvloeien te beurt vallen. En Yae zou zich inwendig verbijten als dat ooit gebeurde!
Daar stond tegenover dat hij, als hij het wel deed, misschien in de val zou lopen en zijn leven verspeelde! Yae’s ingewanden krompen ineen door de spanning van het ogenblik, dezelfde kosmische spanning die het hoofdbestanddeel vormt van het Sawi-legenden, die hem vanaf zijn kindertijd hadden geboeid. Nu was hij de held die voor de vreselijke keus stond!
Plotseling rees de beslissing naar hem omhoog uit de draaikolk van zijn onzekerheid. Hij nam het bamboemesje uit zijn draagtas, sneed een lokje van zijn eigen haar af en gaf dit aan Kaoewan, die het met een glimlach aannam.
Toen stak Yae de hand uit, greep Kaoewans onderarm stevig vast en zei: ‘Sarimakon, es! Afgesproken. Ik kom vast en zeker!’
‘Mochten we het zwijn vinden, dat we achterna zitten, dan kun je erop rekenen dat ik de helft van de lever voor je zal bewaren, tot je bij ons komt eten op de derde dag,’ zei Kaoewan.
Yae antwoordde: ‘Timon konahari! Dank je, mijn vriend!’ En zijn gingen elk huns weegs.
Nu Yae zijn woord had gegeven, had hij vrijwel het lot bezegeld dat hem te wachten stond. Tenzij hij het onomstotelijke bewijs had dat er verraad in het spel was, kon hij nu niet meer terug, zonder voor lafaard te worden uitgemaakt! Hij moest over drie dagen naar Haenam.
En hij moest er alleen naar toe. Niemand zou hem durven vergezellen zonder uitnodiging. Des te beter; als hij het risico alleen droeg , zou hij de eer, die eruit voortvloeide, niet hoeven te delen met een ander uit zijn dorp.

Recensies uit de krant
1-5-2003Uitdaging
10-7-2003Stichting Nederlandse bibliotheek dienst
1-8-2003De boekensteun
25-2-2005De Christenvrouw
Recensies van lezers
NaamHerma
Rapportcijfer10
RecensieHet meest indukwekkende zendingsverhaal wat ik ooit las.
NaamF.W. Hellendoorn
Rapportcijfer7
RecensieGeweldig boek. Indrukwekkend en bewonderingwekkend. Helaas wemelt het boek van de drukfouten. Ongeveer 40 à 50 .
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584