Hoofdstuk 1
Jongenshel
Voor de jongens was er een aparte ruimte. Het was er koud en onpersoonlijk, als een
gevangenis; de weergalmende betonnen muren waren vuilbeige geschilderd geweest, vervolgens
beschadigd en afgeschilferd, en weer opnieuw geschilderd. De muren waren zo goed als kaal, op wat
plakkaten met regels, waarschuwingen en mededelingen na. De enige ramen bevonden zich hoog tegen
het plafond, gekooid achter ijzeren tralies, dik bedekt met verf, roest, en nog meer verf. De
atmosfeer was bedompt, geïnfecteerd met de geuren van stoom, zweet en huid. Jaren van roest en
aanslag van de druipende douchekoppen en een leger van blote, natte voeten hadden de vloer
gemarmerd met roodachtig bruine strepen en vlekken.
Degenen die de leiding hadden, gekleed in uniform, klembord en fluitje in de hand, dreven de
jongens naar binnen. Het waren er zeker zo’n, zeker zo’n veertig in getal, allemaal ongeveer even
oud, maar allemaal heel verschillend in afmetingen, kracht en lichamelijke rijpheid. Hun
geboortedatum, de plek waar hun huis stond en het pure toeval van het lot had hen hier gebracht, en
net als vee bestemd voor verscheping, hadden ze geen enkele stem in de zaak. Het papierwerk was
afgewikkeld. Deze ruimte zou de komende vier jaar een deel van hun leven vormen.
Hij was hier nooit eerder geweest, of op een plek die hier op leek. Hij had zich nooit voorgesteld
dat een dergelijke plek zelfs maar kon bestaan. Hierbinnen betekende vriendelijkheid zwakte, was
menselijke warmte een complicatie, en bemoediging onmannelijk. Hierbinnen was hardvochtigheid de
hoogste deugd – hardvochtigheid, wreedheid en de botte, meedogenloze bevestiging van iedere twijfel
die hij ooit omtrent zichzelf gekoesterd had.
Meneer M, een afschrikwekkende gezagsdrager met een voortdurende frons en een stem die schreeuwde –
alleen maar schreeuwde- droeg hun op zich uit te kleden. Zijn assistenten, klonen van zijn
wreedheid, herhaalden de opdracht, heen en weer stampend in de nauwe gangen tussen de kluisjes.
De jongen aarzelde, steels om zich heen kijkend. Hij was nog nooit naakt geweest in het bijzijn van
vreemden, maar erger nog, hij was nog nooit naakt geweest in het bijzijn van vijanden. Het had de
anderen maar één lesuur gekost om hem eruit te pikken, hem een etiket op te plakken en hem op zijn
plaats te zetten. Hij was nu officieel de kleinste, de bangerd, de zwakkeling, degene zonder
vrienden. Dat maakte hem een gemakkelijke prooi.
En nu zou hij naakt voor hen staan.
Naakt. Zijn maag draaide zich om; zijn handen trilden. Lieve God, haal me hier alstublieft uit.
Laat ze me dit alstublieft niet aandoen.
Maar iedereen die ook maar iets in zijn leven te vertellen had, zei dat hij hier hoorde te zijn.
Hij moest naar school, moest zijn taken uitvoeren, zijn huiswerk afmaken, zorgen dat zijn veters
vastzaten, op vaste tijden naar bed gaan en opstaan, zijn groente opeten en hier zijn. Discussie
gesloten.
Hij trok zijn kleren uit.
Meneer M bleef doorschreeuwen: ‘Opschieten, tempo, tempo, tempo!’
De kudde – roze, zwart, bruin en brons – kwam in beweging, en het enige wat hij doen kon was
meegaan: een fragiel, naakt lichaam tussen veertig andere lichamen, verlangend naar een handdoek of
in elk geval iets om zichzelf mee te bedekken. Instinctief legde hij zijn hand over zijn
geslachtsdeel. Alle andere lichamen waren groter en veel sterker, en alle andere lichamen hadden
haar waar de jongen niets had. Hij wist dat ze het zouden opmerken.
De doucheruimte was een lang vertrek met een hoog plafond, mistig van de stoom en er weergelamde
een luid geraas van obscene, grove grappen en gelach. Hij wilde het niet aanhoren.
Toen een grote Latijns-Amerikaanse knul onder de douche vandaan kwam, stapte de jongen voorzichtig
onder de douchekop, bang om uit te glijden en nog veel banger om in contact met een ander te komen.
Aanraken was gevaarlijk; het kon maar al te gemakkelijk een voorspel worden van een hoop schade.
Hij liet het water over zich heen spetteren. Snel zeepte hij zijn lichaam in.
Aan zijn linkerkant begon het gepraat – over hem. Daarna werd er gelachen. Het gepraat werd
algemeen en de roep deed de ronde – ‘Hé, moet je hier komen kijken!’ – en rondom hem verzamelde
zich een publiek; een halve cirkel van naakte, druipende lichamen. Het gepraat over hem veranderde
in het uitjouwen van hem. Hij probeerde te doen alsof hij hen niet hoorde, maar hij voelde zijn
gezicht rood worden. Opschieten, opschieten, zorg dat je hier wegkomt!
Hij spoelde zich zo goed mogelijk af, waarbij hij zich geen enkele maal van de muur afkeerde, en
daarna ging hij in de richting van de afdroogruimte, hun blikken vermijdend, trachtend hun
commentaar op zijn gezicht, zijn lichaam en zijn liesstreek, te negeren. Maar de pijlen troffen hem
met pijnlijke precisie: Lelijk. Slap. Walgelijk. Meisje.
Hij graaide een handdoek van de kar en wikkelde hem om zich heen, en pas daarna begon hij zich af
te drogen. Zelfs die handeling leverde hem obscene opmerkingen en een nieuwe les op: zodra het
begint zal geen enkele actie, geen woord en geen gedragsverandering er een einde aan maken. Zodra
ze het op jou gemunt hebben, zal alles wat je doet maken dat er nieuwe pijlen op je afgeschoten
worden.
En zo vlogen de pijlen: twee, dan drie, dan nog meer. Obsceniteiten, beledigingen en kleineringen.
Naast zijn pijn voelde hij ook een meelijwekkende, hulpeloze woede. Hij wilde van zich af slaan,
zeggen dat ze op moesten houden, hij wilde zichzelf verdedigen, maar hij was zich maar al te bewust
van zijn lichaam, net als zij. Hij zou het qua kracht nooit kunnen opnemen tegen wie dan ook van
hen, laat staan tegen de hele troep, en dat was waar ze op wachtten, dat hij het toch zou proberen.
Klets! Een stekende, brandende pijn schoot vanuit zijn lies omhoog.
‘O,’ brulde een machotype, ‘goeie.’
Klets! Hij hoorde het geluid opnieuw toen er een handdoek achter zijn rug langs zwiepte en hem op
een haar na miste. Een grote vent met een akelige grijns haalde zijn handdoek naar zich toe voor
een tweede poging, kletste hem opnieuw in de richting van het lichaam van de jongen en trok hem met
een harde ruk terug, waarbij hij het vochtige uiteinde van de handdoek tot een gemeen zweepje
maakte. De rand van de handdoek raakte de jongen tussen de benen, brandend als een gloeiende pook.
Hij schreeuwde het uit van de pijn terwijl de anderen stonden te lachen. Hij stak zijn knie omhoog
om zijn lies te beschermen maar verloor zijn evenwicht op de natte tegels en viel op de vloer, waar
zijn handen glibberden over de slijmerige, zeepachtige aanslag. Hij krabbelde overeind. Een natte
voet bonkte in zijn rug, en hij vloog door de kleedkamer in de richting van een bank die vol zat
met lachende, naakte lichamen.
‘Joh, flikker, blijf van me af!’ Ruwe handen duwden hem weg en hij knalde tegen een ander lijf.
‘Wegwezen, mietje!’
Ze waren boos op hem. Hij was de pingpongbal die heen en weer geslagen werd, en ze waren boos op
hem!
‘Hé, stuk onbenul, zoek ‘ie mot?’
‘Ik denk dat dit gozertje wil vechten!’
Hij vluchtte naar de enige vierkante meter vloeroppervlak die ze hem misschien niet zouden
betwisten, de ruimte voor zijn kluisje. Zijn lichaam bonsde, zijn wonden vormden één groot koor van
pijn.
En zijn ziel... o, zijn ziel. Hij drong zijn tranen weg, gehaast, onhandig graaiend naar zijn
kleren in de kluis, vastbesloten te blijven zwijgen, vertwijfeld hopend dat niemand hem zou zien
huilen – maar diep van binnen jammerde zijn ziel het uit van pijn, en er waren geen woorden of
gedachten om hem te helen. Adviezen van zijn ouders kwamen hem in gedachten, maar die hadden
evenveel betekenis als de teksten op de koekjes die hij vroeger wel gegeten had: ‘Gewoon negeren.’
Negeren was alleen maar doen alsof. Het zorgde er niet voor dat de pijlen zich niet langer door
zijn hart zouden boren. Hij geloofde zelfs dat de spot en de bijtende woorden waar waren. Lieve
God, ben ik zo lelijk? Ben ik zo slap en waardeloos?
‘Hé blote knul! Ja, jij daar in je nakie!’ Nu kwam de student-assistent, die maar een paar klassen
hoger zat, met een paar porren. ‘Zou je niet eens opschieten? De bel gaat over vijf minuten.’
Hij schoot op. Nog half nat worstelde hij zich in zijn kleren, sloeg een knoopsgat over in zijn
overhemd zodat het hemd scheef op zijn rug hing, maar trok zich daar niets van aan. Hij graaide
zijn boeken uit de kluis
Een hand duwde hem tegen de kluis, en zijn hoofd beukte tegen het stalen deurtje. Zijn boeken
vielen op de grond, de bladzijden gekreukt en zijn huiswerk vloog alle kanten op. De gedachte ze op
te rapen was nog maar nauwelijks bij hem opgekomen toen een van de macho’s hem bij zijn nek greep,
van de vloer tilde, zodat zijn voeten erbij bungelden en hem vervolgens bovenop zijn boeken liet
terugvallen. Hij kromp ineen op de vloer, hijgend naar adem.
Er snerpte een fluitje. Het was meneer M, boos zoals altijd.
‘In de rij, in de rij!’
De student-assistent sleurde de jongen op zijn benen. ‘Kom op, in de rij!’
Hij verzamelde zijn boeken, waarvan sommige pagina’s nu nat, verkreukt en groezelig waren, en vulde
een lege plek in de rij op.
Nog één minuut. Hij had er nog nooit eerder zo naar verlangd ergens anders te zijn. Ergens in zijn
herinnering – op dit moment een vage herinnering – was een vriendelijkere wereld dan deze, een plek
waar hij iets van zijn verloren waardigheid, de laatste flarden van zijn zelfrespect zou kunnen
hervinden.
De bel ging. Zou het voorbij zijn? Zou het eindelijk voorbij zijn?
Meneer M zwaaide de deur open. De rijen kwamen in beweging. Een paar jongens vooraan schoten weg
alsof ze een race voor hun leven liepen.
‘Niet rennen! LOPEN!’ grauwde meneer M.
De massa lichamen stroomde de smalle gang in en een ogenblik later haastte hij zich weg van die
plek, nog een paar laatste blikken over zijn schouder werpend, op zijn hoede voor gevaar, dankbaar
dat hij zijn nek nog kón draaien.
In de centrale hal kwam hij voorbij de prijzenkast, waarin alles wat de trots en de glorie van zijn
middelbare school vormde, geëtaleerd was. Hier hingen de kleuren van de school, foto’s van de
schoolmascotte, de trofeeën, de lintjes, de krantenartikelen, de overwinningen – alles waar een
kind trots op hoorde te zijn. Zijn ogen liepen vol met tranen. Toen hij voor het eerst op deze
school kwam, had hij naar die prijzenkast gekeken, en inderdaad, hij was trots geweest. Hij had een
stimulerende blijheid ervaren en het gevoel gehad dat hij er bij hoorde. De schoolgeest, dat was
het. Hij had niet geweten hoe snel hij een vaantje moest kopen om in zijn kamer aan de muur te
hangen.
Maar nu kon hij niets anders doen dan huilen en zich afvragen: Hoe kan een school als deze, mijn
school, zo’n plek hebben? Is er niemand die zich hier iets van aantrekt? Is er eigenlijk wel iemand
die dit weet?
Tijdens het volgende lesuur zat hij aan zijn tafel, nog steeds klammig, zijn lichaam nog pijnlijk,
niet in staat zijn aandacht bij de les van de docent te houden of zijn ogen bij de leesstof. De
spottende gezichten en de minachtende, snijdende opmerkingen bleven door zijn hoofd spelen, sterker
en intenser dan al het andere.
En vanuit het bloed dat een plas gevormd had op de bodem van zijn ziel, in de eenzaamheid van zijn
pijn en zijn woede, in de veiligheid van een neutrale locatie, werden gedachteschimpen afgevuurd in
zijn geest als verboden voetzoekers: O ja hoor, meneer de student-assistent, meneer de Grote Stoere
Bink, meneer M in het klein. Je zou zo stoer niet doen als meneer M niet in de buurt was. En jij,
Supermacho en Suffe Crimi en Handdoekenhengst, als ik groter was, als ik sterker was, als ik… als
ik… o man, als ik toch eens…
Maar hij was christen. Hij werd niet geacht dergelijke dingen te denken, en daarom probeerde hij ze
niet te denken.
En hij zei niets, en hij deed niets, en toen de dag van de gymles weer aanbrak…ging hij opnieuw. De
gezaghebbende personen in zijn leven hadden bepaalde waarden overduidelijk gemaakt: Hij moest daar
zijn. Hij had geen keus.