|
1
HET BELANG VAN VERBROKENHEID
Ieder die God dient, zal vroeg of laat ontdekken dat de grootste belemmering voor zijn werk niet in anderen ligt maar in zichzelf. Hij zal ontdekken dat zijn uitwendige mens niet in harmonie is met zijn inwendige mens, omdat beide zich naar een andere richting uitstrekken. Ook zal hij bemerken dat zijn uitwendige mens hem in de weg staat zich te onderwerpen aan de leiding van de Geest. Daardoor kán hij niet gehoorzamen aan Gods geboden. Hij zal al gauw tot de ontdekking komen dat de grootste moeilijkheid gelegen is in zijn uitwendige mens, daar deze hem verhindert zijn geest te gebruiken.
Heel veel dienstknechten van God kunnen zelfs het meest elementaire niet doen. Het zou normaal zijn als zij door de oefening van hun geest in staat zouden zijn Gods Woord te kennen, de geestelijke toestand van een ander te onderscheiden, onder de zalving van Gods Geest een boodschap van God door te geven en Gods openbaringen te ontvangen. Maar doordat de uitwendige mens telkens wordt afgeleid is het alsof hun geest niet goed kan functioneren. In wezen komt dit doordat er nooit radicaal met hun uitwendige mens is afgerekend, waardoor veel geestelijk streven, ijver, ernst en activiteit slechts tijdverspilling zijn. Zoals wij zullen zien is er maar één manier waarop de mens bruikbaar gemaakt kan worden voor God en dat is verbrokenheid.
De inwendige en de uitwendige mens
Wij zien hoe de bijbel een scheidslijn trekt die dwars door de mens heengaat: ‘Want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods’ (Rom. 7:22). Onze inwendige mens verheugt zich in de wet van God. ‘ ...met kracht gesterkt te worden door zijn Geest in de inwendige mens’ (Ef. 3:16). En Paulus zegt ons ook: ‘...maar al vervalt ook onze uiterlijke mens, nochtans wordt de innerlijke van dag tot dag vernieuwd’ (2 Cor. 4:16).
Als God door zijn Geest, zijn leven en zijn kracht woning bij ons maakt, komt Hij in onze geest, die wij de innerlijke of inwendige mens zullen noemen. Rondom deze inwendige mens is de ziel en daar spelen zich onze gedachten, gevoelens en wil af. De buitenkant van de mens is ons fysieke lichaam. Wij zullen daarom nu spreken van de inwendige mens als de geest, van de uitwendige mens als de ziel en van de buitenkant van de mens als het lichaam. Wij moeten nooit vergeten dat de inwendige mens de menselijke geest is waar God woont, waar zijn Geest zich aansluit op onze geest. Net zoals wij kleren aan hebben ‘draagt’ onze inwendige mens een uitwendige mens: de geest ‘draagt’ de ziel. En op gelijke wijze ‘dragen’ de geest en de ziel het lichaam. Het is duidelijk dat de mensen zich over het algemeen meer bewust zijn van hun uiterlijke mens en van hun buitenkant, dan dat zij zich van hun geest bewust zijn of die begrijpen.
Het moet ons duidelijk worden dat alleen hij, wiens inwendige mens is vrijgemaakt, in de dienst van God kan staan. Eigenlijk zouden wij de diepste kern van de moeilijkheden van een dienstknecht van God dus kunnen terugvoeren tot het onvermogen van de inwendige mens om door de uitwendige mens heen baan te breken. Daarom moeten wij voor God tot de erkenning komen dat de voornaamste moeilijkheid voor ons werk niet bij anderen ligt, maar bij onszelf. Onze geest zit als het ware in een omhulsel, waaruit hij niet gemakkelijk te voorschijn kan komen. Wij zijn niet tot dienen in staat als wij niet geleerd hebben hoe onze inwendige mens vrijgemaakt kan worden door de uitwendige mens te laten verbreken. Niets kan ons zo in de weg staan als deze uitwendige mens. Het al of niet vruchtbaar zijn van ons werk hangt er vanaf of onze uitwendige mens door die verbrokenheid heen kan treden en zich kan openbaren. Dit is het grondprobleem. De Heer wil onze uitwendige mens breken, opdat de inwendige mens een weg naar buiten heeft. Als onze inwendige mens vrijgemaakt is zullen zowel ongelovigen als christenen door ons gezegend worden.
Hoe de natuur te werk gaat
De Here Jezus zegt ons in Johannes 12: ‘Indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf. Maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort.’ Er is leven in de graankorrel, maar daaromheen ligt een vlies en dat is erg hard. Zolang dit vlies niet opensplijt, kan de tarwe, niet groeien. ‘Indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft ...’ Wat is dan dit sterven? Dat vindt plaats als dit vlies openbarst door het samenwerken van temperatuur, vochtigheid, enzovoort in de aarde. Als het vlies eenmaal opengebarsten is, begint de tarwe te groeien. De vraag is hier dus niet of er binnenin wel leven is, maar of het vlies eromheen is opengebarsten.
Vervolgens zegt de Schrift: ‘Wie zijn leven (ziel) liefheeft, maakt dat het verloren gaat, maar wie zijn leven (ziel) haat in deze wereld, zal het bewaren ten eeuwigen leven.’ De Heer laat ons hier zien dat dit buitenste vlies ons zielenleven is, terwijl het leven binnenin het eeuwige leven is, dat Hij ons heeft gegeven. Om dat innerlijke leven in staat te stellen naar buiten te treden moet het uiterlijke leven worden verbroken. Als dat niet gebeurt kan het innerlijke leven nooit aan het licht komen.
Het is noodzakelijk dat wij ons in verband met dit onderwerp richten tot die groep mensen, die het leven van de Heer hebben. Onder hen kunnen wij twee groepen onderscheiden: in de ene groep is het leven begrensd, beperkt, gevangen en kan zich niet openbaren; de andere groep omvat degenen, in wie de Heer Zich baan gebroken heeft.
De vraag, die wij hier onder ogen zien, is dus niet hoe wij het leven verkrijgen, maar veel meer hoe dit leven aan het licht kan worden gebracht. Als wij zeggen dat de Heer ons moet breken; is dat niet maar een bepaalde manier van zeggen of een bepaalde leer. Het is essentieel dat wij door de Heer verbroken worden. Het gaat er in feite niet om, dat het leven van de Heer de aarde niet zou kunnen omvatten, maar veel meer dat zijn leven door ons gevangen wordt gehouden. Niet dat de Heer de Gemeente niet kan zegenen, maar dat het leven van de Heer in ons zo begrensd is, dat het niet naar buiten stroomt. Als de uiterlijke mens niet verbroken wordt kunnen wij nooit een zegen zijn voor zijn Gemeente. En dan kunnen wij ook niet verwachten dat het Woord, dat wij doorgeven, door God gezegend wordt!
|