Eerste hoofdstuk:
De levenslustige kleuter
die God niet mocht
Als een razende liep ik door de kamer. Een snotneus van zo’n vijf jaar oud,
terwijl ik schreeuwde: ‘God bestaat niet, God bestaat niet.’ Oma en mama
keken elkaar verbaasd aan. Wat heeft dat kind toch? Vanwaar al die drukte om
God? Eerlijk gezegd weet ik het ook niet meer wat mij op dat moment
bezielde. Totaal overstuur was ik wel. Dat zeker. Misschien dat de
kleuterjuf iets over God had verteld, iets wat niet in goede aarde was
gevallen. Op de één of andere manier bleef het fenomeen ‘God’ me toch
achtervolgen, mijn hele leven lang. Niet dat ik daar nou zo naar zocht.
Helemaal niet. Maar het bleef me gewoon achtervolgen.
Een christelijke opvoeding heb ik niet gehad. Eerder het tegendeel. Mijn
vader was afvallig katholiek, ooit oprecht op zoek naar God, naar de
oorsprong van het leven. Hij bleef hangen in de evolutie en in dat wat de
wetenschap haar studenten voorhield. Mama was nog minder bezig met de
filosofieën van het leven. Zij kwam uit een protestantse familie waar men op
een gegeven moment het geloof had ingeruild voor de sociale aspecten ervan,
wat naderhand resulteerde in een socialistische wereldbeschouwing.
In de jaren dat mijn grootouders naar Eindhoven trokken, was de christelijke
wereld nog diep verdeeld in protestants en katholiek. Eindhoven was een
katholiek bolwerk, zodat het voor hen niet meeviel om als protestanten daar
hun aard te vinden.
De jaren voor de Tweede Wereldoorlog brachten in Eindhoven allerlei sociale
veranderingen met zich mee. Dit was te danken aan de Philipsfabrieken die
Eindhoven in het begin van de vorige eeuw tot een bolwerk van elektronische
revolutie hadden gemaakt. Het was voor Eindhoven een tijd van economische
groei en vooruitgang. Vandaar dat arbeiders uit alle delen van het land naar
Eindhoven trokken, in de hoop op werk bij deze firma.
Mijn opa was afkomstig uit het ontwikkelde Amsterdam en mijn oma uit het
achtergebleven Drenthe. Mijn vader zette deze traditie eigenlijk voort. Hij
was afkomstig uit Rotterdam en ook hij was naar Eindhoven gekomen om bij
Philips te kunnen werken. Voor hem was Eindhoven de plaats waar hij zijn
felbegeerde carrière zou kunnen opbouwen. Naast zijn werk studeerde hij
elektronica aan de Technische Universiteit. Hij was een veelzijdig man, een
‘bezige bij’. Koppie koppie, ja, dat had hij. Alleen was het zo jammer dat
hij het belangrijkste aspect van het leven miste, namelijk gerichte
communicatie. De avonden dat hij thuiskwam, kan ik me nog goed herinneren.
Aan tafel praatte hij wel, o ja, honderduit. ‘Greetje!’, zei hij dan tegen
mijn moeder, ‘heb je het al gehoord? Vandaag hebben we PAL‑simple getest. De
resultaten waren zeer bemoedigend. Wanneer de tests goed uitvallen kom ik
misschien wel in vakgroep zes terecht!’ En zo leuterde mijn vader de avonden
vol. Communicatie was er genoeg, alleen verliep die nogal eenzijdig: wij
luisterden en hij praatte alleen maar over zijn werk. Het was dan ook niet
vreemd dat achtjarige klasgenootjes mij raar aankeken wanneer zij nog niets
wisten over osmoseprocessen, het etsen van printplaten en geen enkele
planeet van het zonnestelsel wisten op te sommen. Ja, het werd bij mij erin
gehamerd dat mijn vader een slimme jongen was en dat ik spoedig in zijn
voetsporen zou treden. Nou, dat beloofde wat!
Bij mijn zusjes heerste een geheel andere sfeer. Op den duur kreeg ik drie
zusjes. We scheelden allemaal precies drie jaar met elkaar. Dus toen ik
negen jaar was werd de jongste geboren. Niet dat ik daar nou zo blij mee
was. Alweer een meisje! Ik wilde liever een broer, maar het mocht niet zo
zijn. Misschien dat ook deze gedachte afkomstig was van mijn vader. Zijn
trotse aanwinst, dat was ik. De naamdrager van het geslacht, zijn opvolger,
de oogappel. Maar het volgende kind werd een meisje, geen naamdrager, geen
oogappel en geen opvolger. Niet dat hij nou zo ongelukkig met mijn zusje
was, nee, hij niet, maar mijn vaders moeder oftewel mijn oma wel. Oma was
een echte kakmadam. Ze probeerde mijn vader en diens carrière te beïnvloeden
en te sturen, alleen maar om de eigen eer op te vijzelen. Zij stamde dan ook
uit een familie die ergens op straat was begonnen en door hard werken en
studeren was opgeklommen tot een behoorlijk maatschappelijk niveau.
Verschillende ooms van mij waren directeur bij Philips. Niet een ‘beetje’
directeur, maar zo eentje met privéchauffeur en grote villa. Ja, haar
familie was opgeklommen tot sociaal aanzien en zij kon natuurlijk niet
achterblijven. Dat verklaarde tevens mijn vaders carrièredrang en ook zijn
pressie om mij maatschappelijk te laten ontplooien.
Ondanks mijn vaders pogingen om mij in te wijden in het leger der jonge
geleerden bezat mijn karakter ook een wat menselijker aanleg. Daarbij vielen
enige minder leuke eigenschappen op die door mijn omgeving niet zo erg op
prijs werden gesteld. Men zou deze eigenschappen in één woord kunnen
samenvatten: temperamentvol. Wanneer ik iets deed, dan ging ik ervoor.
Zodoende ontplooide ik mij al snel tot een leidinggevend straatjochie. De
kinderen in de buurt hielden van mijn drang tot avontuur, zij hielden ervan
dat ik niet bang was aangelegd. Wanneer er geknokt werd - wat nogal eens
voorkwam - dan stond ik erbij en hielp de jongens in de buurt en meestal
stond ik vooraan.
Het was in dit kader best wel prettig dat mijn moeder het altijd voor mij
opnam wanneer er mensen kwamen klagen. Ook dat gebeurde nog wel eens. Er
waren natuurlijk ook mensen die echt wel wat konden verdragen. Maar er waren
ook van die mensen bij die om het minste of geringste gingen zeuren, en dat
was nou net wat je bij mij niet moest doen. Zo woonden er bij mij in de
buurt van die supernette jochies die van hun pappie en mammie nog geen
spatje op hun broek mochten krijgen, want o wee, als er een vuiltje op hun
kleren kwam! Dan was de boot aan. Gelukkig had ik daar geen last van. Mama
liet me altijd lekker spelen, met als gevolg dat die nette knapies zich ook
van hun menselijke kant lieten zien. En van wild spelen kwamen de spatjes en
vuiltjes vanzelf op de nette broekjes en wie had het dan gedaan? Hansje
natuurlijk, want die mocht altijd alles van zijn mammie. Zelfs ‘s zondags!
Want dat was voor veel christenen nog steeds een heilige dag van rust. Voor
mij en mijn zusjes niet hoor. Wij rouwdouwden rustig verder. Mijn vader
heeft ooit wel eens geprobeerd om mij een paar ‘zondagse schoenen’ aan te
laten trekken. Dat duurde één zondag lang. Toen waren de neuzen helemaal
kaal. Kreeg ik toch nog eens flink op mijn kop!
De zondagen vond ik verschrikkelijk. Wat een saaie dagen waren dat. Er
bestonden nog geen computerspelletjes, er was nog niet de hele dag tv. Ook
gingen wij niet naar de kerk en we kregen ook bijna nooit visite. Vreselijke
dagen waren dat. De meeste kinderen uit de buurt gingen in hun zondagse
gala‑uniform richting kerk en moesten met hun nette pakkies binnen blijven.
Nou, daar waren wij mooi klaar mee. Natuurlijk probeerden wij wel wat te
spelen. Maar sommige buurtgenoten waren beslist niet blij met onze zondagse
escapades. Verderop woonden twee streng gereformeerde gezinnen. Die waren
het ergste. Ik herinner me nog steeds de strenge en meedogenloze blik van
een refo-vader toen ik eens vloekte. Tjonge, het is maar goed dat blikken
niet kunnen doden, want ik zou ter plaatse zijn gestorven van zijn boze
blik. En ik had niet eens het besef dat ik iets verkeerd deed. Verderop
woonde nog zo’n stel fanaten. Ik begreep er allemaal niets van. De kerk met
z’n regeltjes, Maria en Jozef, Jezus, ’t zei me allemaal niet veel. Het
refo‑kind uit dat gezin leek me ook niet gezond. In mijn beleving leek dat
jongetje wel een stijve mummie zoals hij zich moest voortbewegen. Volgens
mij kreeg hij een soort ‘spoedcursus voor pinguïn’. Ook in dat gezin kon ik
niet veel goeds doen. Hel en verdoemenis waren voorbestemd voor mij. Wat was
dat eigenlijk? Wist ik veel. Nee, dan had ik nog liever met de katholieken
te maken. De meeste Brabanders waren katholiek, gemoedelijk en minder
fanatiek dan het gereformeerde deel van de zuidelijke bevolking. Twee huizen
verderop woonde een vriendje van mij, Adje, en die was ‘gewoon’ katholiek.
Oprecht katholiek. Zelfs zo erg dat hij mij meevroeg naar de kerk. Ik? Naar
de kerk? Daar dacht ik niet lang over na: ‘Nee.’
‘Nee?’, zei hij beteuterd. ‘Nou, naar de zondagsschool dan?’
Zondagsschool? Was dat net zo erg als ‘de’ school?
‘Nee,’ zei Adje geduldig, ‘bij de zondagsschool maken ze leuke dingetjes,
zoals een paashaas in een karretje.’
Nou, daar had ik wel oren naar. Een paashaas in een karretje, ik zag het al
voor me. In gedachten reed ik al met mijn hazenkarretje door de straten;
maar o wee, het verdriet sloeg toe toen ik erachter kwam dat dit ‘karretje’
ongeveer vijftien centimeter groot was en ook nog eens uit papier werd
vervaardigd. En dat was niet alleen de afknapper. Ik werd ook nog eens in
een groep ingedeeld met volstrekt vreemde kinderen die allerlei vreemde
woorden tegen mij bezigden, zoals ‘uit welke parochie ik kwam’. Parochie?
Wat was dat? Tja, toen kwamen de waterlanders en moest ik het veld ruimen.
Ik ben daarna nooit meer terug geweest.
De missionaire opdracht van mijn vriendje was echter nog niet afgelopen.
Ach, het was wel een goed jong. Hij bedoelde het allemaal zo goed. Keer op
keer ondernam hij pogingen om mijn zwartgeblakerde ziel te redden van de
eeuwige ondergang, echter zonder succes. Volhardend bleef ik vasthouden aan
mijn atheïstische standpunten, niet beseffende dat ik mijn vader nakakelde.
Wisten wij veel. Adje kraaide de woorden van zijn ouders en die van mijnheer
pastoor na. En mijnheer pastoor was een ‘heel goed mens’. Soms kwam hij
langs de deuren. Hij droeg dan een lange bruine pij met zo’n koord rondom
zijn middel. Dat vond ik een indrukwekkende verschijning. Adje wist mij
direct in te wijden in het doen en laten van pastoors. Dat klonk toch wel
erg interessant. Zelfs zo erg dat ik op jeugdige leeftijd besloot om pastoor
te worden. Zou ik toch nog in de hemel komen en dat was mooi meegenomen.
Nadat ik de eerste nieuwsgierigheid over pastoors had verwerkt in mijn
fantasieleven, kwam ik tot de conclusie dat pastoor zijn niet zo
avontuurlijk was als brandweerman en bouwvakker. Als brandweerman was het
leven eenvoudiger: je bluste gewoon de brand totdat hij uit was. Een
bouwvakker bouwde een huis totdat het klaar was, maar een pastoor bad in de
lucht tot iets wat je niet kon zien en had het over een verhaal van heel
lang geleden. Nee, pastoor zijn leek me toch niet zo’n succes. Daar kwam bij
dat ik voor het eerst kennismaakte met de theologieën van Adje die mij
ronduit verbaasden.
Op een middag haalde hij mij van huis om te spelen in een nabijgelegen
straat. Naderhand bleek dat dit het startpunt was van zijn kruistocht. In
die straat woonde namelijk een Joods jongetje dat de pech had op die middag
Adje te ontmoeten. Deze confrontatie zal mij lang heugen. ‘Hé, vuile Jood,
blijf eens staan’, schreeuwde Adje naar het beduusde jong. ‘Ja, jij daar, ik
heb het tegen jou.’ Zo snel mijn beentjes me dragen konden, spurtte ik
achter hem aan. In een smal gangetje werd het arme Joodse jochie de weg
versperd. Daar maakte ik voor het eerst kennis met een ware
godsdienstoorlog, met dat wat theologische verschillen kunnen uitwerken in
mensenlevens. Van dichtbij kon ik de ‘Joodse verschrikking’ wat nader
beschouwen. Het manneke was ongeveer net zo groot als ik. Hij had dezelfde
zwarte krulharen als ik, dezelfde ogen, dezelfde kleren... en... eigenlijk
had ik het zelf kunnen zijn! Ik kon mijn oren niet geloven. ‘Jullie hebben
Jezus vermoord, jullie vuile rotjoden’, bralde de inmiddels withete Adje.
Het schaamrood stond op mijn kaken. Het Joodse jochie stond nog steeds
beduusd te kijken. Wat dat betreft waren wij meer één dan Adje en ik. Ik
voelde dan ook geen enkele aandrang om me te mengen in deze zinloze
minioorlog. Naderhand ben ik grote sympathie gaan voelen voor het Joodse
volk. Ik denk dat deze ervaring heeft bijgedragen aan het gevoel van
verwantschap. Van Adje en zijn kruistocht moest ik zo langzamerhand steeds
minder hebben. Dat gezeur om mee te gaan naar die kerk stond me hoe langer
hoe meer tegen.
Eenmaal heb ik wel een vreemde ervaring opgedaan tijdens een spel bij Adje.
Of het bovennatuurlijk was weet ik niet. Misschien dat Adje schietgebeden
heeft opgezonden, maar ook dat weet ik niet. Hem kennende zal dat best wel,
maar hoe dan ook, het was toch merkwaardig. Het gebeurde op een zonnige
zondagmiddag. Vrolijk stond ik op de schommel bij Adje op de plaats. Er was
totaal niets aan de hand en ik voelde mij dan ook kiplekker. Plotseling,
zonder enige waarschuwing vooraf, raakte ik bewusteloos en viel voorover van
de schommel. Het schijnt dat ik met mijn hoofd in volle vaart tegen een
betonnen paaltje viel. Alle aanwezige kinderen in paniek. Logisch. Na enkele
seconden kwam ik weer bij bewustzijn. Ik voelde een verlammende doch
stekende pijn in mijn hoofd, aan mijn been en elleboog. Ik wilde opstaan
maar… dat ging niet! Ik probeerde opnieuw, maar de linkerhelft van mijn
lichaam wilde niet meewerken. Mijn linkerbeen en -arm kon ik niet meer
bewegen. De aanwezige kinderen waren te veel in paniek om iets te
ondernemen. Dus toog ik zelf maar naar huis, zo’n dertig meter verderop. Met
mijn zijde tegen de schuurmuurtjes aanleunend hipte ik richting thuis, maar
halverwege kwamen mijn gewaarschuwde ouders me tegemoet lopen. Hevige
paniek. Hup in bed en dokter erbij. Tja, half verlamd is niet niks. Maar als
door een wonder herstelde ik binnen een half uur. Een tintelend gevoel in
mijn been en arm kondigde aan dat ik spoedig weer de straat onveilig kon
maken. En aldus geschiedde.