Lees hoofdstuk 1
Vroeger had ik antwoorden, nu heb ik kinderen
 
Boek kaft: Vroeger had ik antwoorden, nu heb ik kinderen
Voorwoord

En toen had ik zelf kinderen

‘Voor ik getrouwd was, had ik drie theorieën over het opvoeden van kinderen. Nu heb ik drie kinderen en geen theorieën meer.’ John Wilmot, graaf van Rochester.

Vroeger wist ik alle antwoorden.
Ik wist precies wat je als ouder moest doen als je kind een loopneus had. Of snel kwaad werd. Of een vieze luier had. Ik wist wat ouders moesten antwoorden als een kind vragen stelde als: ‘Waar komen baby’s vandaan?’, en dan daarna, als je het uitgelegd had, reageerden met: ‘Hou jezelf voor de gek! Vertel me nu maar hoe het echt zit.’ Ik wist wat ouders moesten doen als een kind ziek werd, of een vaas brak, of stopte met zijn studie. Ik wist precies wat een ouder zijn kinderen moest leren over het leven, over vrijheid en hoe je snel rijk moet worden. Ik wist hoe laat je hen in bed moest stoppen. En wanneer je hun de gelegenheid moest geven te praten.
En toen kreeg ik zelf kinderen.
Drie nog wel.
In drie korte jaren.
Ik ontdekte al snel dat de opvoeding de grootste investering is die je ooit kunt doen. Toch krijg je je kinderen niet met een gebruiksaanwijzing, je kunt hun geluid niet met een druk op de knop uitzetten, en je krijgt geen garantiebewijs. En als we toevallig met onze eerste kinderen wel alle antwoorden weten, is er een kans dat God alsnog een verrassingspakketje stuurt dat de hele zaak omvergooit. Dan heb je kans dat dit kind op een dag naar een bijbelkamp gaat en je een brief stuurt die alle antwoorden die we ooit hadden op losse schroeven zet:

Lieve pap en mam,

Onze kampleider heeft gezegd dat we onze ouders een brief moesten schrijven, voor het geval dat jullie over de overstroming gehoord hadden en je zorgen zijn gaan maken. Maak jullie geen zorgen, alles is goed met ons. Ik kon net op tijd uit de hut komen, voor hij wegdreef, en ik heb mijn tandenborstel nog. Niemand is verdronken, want de meeste kinderen waren toen in het bos, op zoek naar Iwan. Gelukkig zijn zwarte beren niet zo gemeen als grizzlyberen, dus Iwan is oké. Kunnen jullie zijn moeder even bellen om dat te vertellen? Hij kan niet schrijven met zijn gipsarm. We zouden hem nooit gevonden hebben in het donker als het niet zo hard geonweerd had.
Wisten jullie dat een gasfles ontploft als je hem op het vuur zet? Nat hout brandt niet zo goed, maar tenten wel. En kleren. Billy ziet er voorlopig stom uit, tot zijn haar weer aangegroeid is. We komen zaterdag thuis, als meneer Chadwick de bus tenminste op tijd gerepareerd krijgt. Het was zijn schuld niet van dat ongeluk. De remmen deden het prima toen we weggingen. Het is een mooie bus. Hij heeft er geen verzekering voor nodig. En we mogen hem vuil maken en op het dak zitten als we gaan rijden. Tjonge, wat was dat vol met vijftien kinderen!
Meneer Chadwick is een toffe peer. Hij gaat me leren autorijden. Wees maar niet bezorgd, hij laat me alleen maar op bergweggetjes rijden als er niet veel verkeer is. Alleen maar grote vrachtwagens en elanden. Vanavond gaat hij me leren hoe ik moet zwemmen. En van de rotsen moet duiken. Vanochtend moest ik overgeven. Onze spreker, meneer Gibbs, zei dat het waarschijnlijk kwam door dat restje oude aardappelsalade. Hij zegt dat hij vroeger in de gevangenis ook zo ziek werd van het eten. Ik ben zo blij dat hij uit de gevangenis gekomen is en ons over de Bijbel wil leren. Nou, ik moet stoppen. We gaan naar de stad om deze brieven te posten en kogels te kopen. Maken jullie je maar nergens zorgen om!

Liefs, Jimmy

P.S. Hoe lang is het geleden dat ik ingeënt ben tegen tetanus?

Misschien hebben we als ouders niet meer zoveel antwoorden als we vroeger hadden. Maar aan één ding zullen we nooit gebrek hebben: aan verhalen. Al meer dan tien jaar reis ik het land door om overal de verhalen te vertellen die u zo meteen gaat lezen. Ik heb mensen zien lachen (twee zijn er van hun stoel gevallen) en ik heb er ook zien huilen. Ik heb echtparen die worstelen met de moeilijkheden die ons allemaal overkomen, zien glimlachen met hernieuwde hoop voor hun kinderen. En ze hebben me verteld waarom: ‘We herkennen ons gezin in het jouwe. En als er hoop is voor jou, Phil, dan is er hoop voor iedereen.’
Ik ben niet helemaal zeker van wat ze bedoelden, maar misschien bent u het met hen eens.
Wat u gaat lezen is een verzameling korte verhalen. Het zijn verhalen over kattenkwaad, plezier en hoop. Verhalen die ons eraan herinneren dat midden in de meest waardeloze omstandigheden het beste onderweg is. Tussen de regels door kunt u de stem horen van een man die God niet genoeg kan bedanken voor zijn gezin. Voor de drie kinderen die zijn portemonnee leeg gemaakt hebben, maar zijn hart gevuld hebben. En voor een vrouw die van hem houdt, ook al waait zijn haar weg met de wind, en heeft hij niet de energie om er achteraan te gaan om het op te vangen.
Misschien herkent u uw gezin in deze bladzijden. En als u maar half zo veel geniet van het lezen van deze verhalen als ik ervan geniet om ze te vertellen, dan denk ik dat we allebei tevreden kunnen zijn.

Phil Callaway
Alberta, Canada


Het overweldigende begin

Net als de meeste ouders die ik ken was ook ik absoluut niet voorbereid op het ouderschap. Op snotneuzen, vroeg opstaan en in het donker struikelen over speelgoed. Wist ik veel hoe je een luier verschoont of een fles verwarmt of het eten prakt. Daarom liet ik mijn vrouw zulke dingen doen. Grapje ...
Net als de meeste mannen van mijn generatie deed ik een prenatale cursus, leerde ik hoe je moet puffen en keek ik naar enge bevallingsfilms. Ik las alle boeken die erover gingen, onderstreepte nuttige gedeelten en las ze vervolgens nogmaals. En toch word je geenszins voorbereid op kinderen die je auto afbreken, jam in je stereo smeren en dan hun kleverige vingers op je schouder leggen en zeggen: ‘Ik hou van je, pap.’ Ik had er geen idee van hoe snel drie kinderen mijn leven zouden veranderen. En hoe veel we kunnen leren als we het kunnen opbrengen deze verrassingen in dankbaarheid aan te nemen.


1. Inbreker van drie turven hoog

Het is middernacht. Alle kinderen op het westelijke halfrond slapen. De slaapliedjes zijn gezongen. Gebedjes zijn opgezegd. Ik heb me net behaaglijk in bed genesteld voor een kort winterslaapje als ik vanuit de gang gedempte voetstappen hoor. Langzaam komen ze dichterbij.
Inbrekers?
In het niemandsland tussen bewustzijn en slaap lijkt het ergste mogelijk. Ik ben plotseling klaarwakker en voel mijn hart wild bonzen. Zal ik snel 112 bellen? Of het licht aandoen?
Stilletjes gaat de deur open.
In het zachte licht van een nachtlampje staat een eenzaam figuurtje. Hij is nog geen meter hoog en probeert met speen en al te glimlachen. Zijn naam is Jeffrey Paul. Een kussen hangt slap in zijn rechterhand en in zijn linkerhand draagt hij een emmertje lego. Voor een tweejarige die nog niet kan klokkijken is het tijd om te spelen.
‘Kom maar’, fluister ik.
Hij zet de emmer neer, schudt het kussen een beetje op en klimt naast me in het bed. Hij slaat een arm om mijn borst heen en zucht geagiteerd. ‘Papa, ik bang’, zegt hij.
O, Jeff, ik zou je voor honderdduizend andere lieve kindertjes nog niet ruilen. Maar – en ik schaam me dat ik het moet zeggen – dit is niet altijd zo geweest.
Drie jaar geleden. Op 30 september. Plaats: de eettafel.
‘Schat, ik denk, eh, tja, ik denk eigenlijk dat ik misschien weer eh, zwanger ben.’ Mijn vrouw zei dit ongelukkigerwijs terwijl ik mijn mond vol had. Ik deed manhaftig mijn best niet te stikken, nam snel een slok water, slikte mijn aardappel door en reageerde kalm: ‘Wat? Dat kan helemaal niet! Rachael is pas drie dagen oud!’
‘Je bedoelt drie maanden’, corrigeerde ze.
‘Maar dat kan toch niet! Je maakt hopelijk maar een grapje, hè. Ha, ha, je maakt een grapje.’ Ik bestudeerde haar gezicht. Ze maakte geen grapje. Wij echtgenoten zien zulke dingen.
‘Ik begon me net weer wat beter te voelen; ik had soms zelfs het gevoel dat ik de dag aan zou kunnen …’ Haar stem klonk ver weg. Ik prikte met mijn vork in een nieuwe aardappel. Heel hard. ‘Drie kinderen in drie jaar!’ Ze klonk nu dichterbij. ‘En ik wilde maar een paar dingen: slapen, rust, zelfs een vakantie.’
Negen maanden later. Plaats: afdeling verloskunde van het ziekenhuis in onze stad.
Deze uiterst intieme en persoonlijke gebeurtenis beleefden we samen met de verloskundige, de kinderarts, de anesthesist, de portier, de assistent van de portier, de taxichauffeur, en drie co-assistenten. Maar we letten daar helemaal niet op. Want weet u, Jeffrey Paul was net geboren. Hij kwam ongeveer op dezelfde manier ter wereld als de andere twee, maar je hoeft niet gestudeerd te hebben om te zien dat hij totaal anders is. Vanaf de eerste dag liet Jeffrey ons dag en nacht horen dat hij niet blij was er te zijn. Nee, dit was niet wat hij gewild had, en daar zou iemand voor boeten.
Zijn gehuil deed je hart smelten, maar zijn doordringende gejammer liet de ruiten rinkelen. ‘Hij heeft last van krampjes’, legde mijn vrouw uit. ‘Dat had ik ook toen ik baby was, en jij ook, zegt je moeder.’ Deze informatie hielp niet echt.
Tegen de tijd dat hij gewend was aan een fopspeen deed zich een nieuw probleem voor: Jeffrey was, tja, agressief. Misschien zou je ook kunnen zeggen dat hij een sterke wil had. Of dat het gewoon een onmogelijk kind was. Als hij iets in zijn hoofd had, kon je het er nog niet met tien paarden weer uit krijgen. Dit werd ons al snel akelig duidelijk, lang voor die dag dat we in de rij in een cafetaria stonden en zagen hoe hij uithaalde en een volslagen vreemde een klap verkocht ... misschien louter vanwege de lol haar te zien bukken om haar knie te wrijven.
‘Denk je dat we de verkeerde baby mee naar huis gekregen hebben?', vroeg ik die avond aan mijn vrouw. ‘Je weet wel, soms worden ze per ongeluk verwisseld.’
‘Mmm, nee’, antwoordde mijn vrouw. ‘Hij lijkt te veel op jou.’
Ze had gelijk.
Zelf werd ik geboren toen mijn ouders al op Abraham en Sara begonnen te lijken (pa en ma betaalden mijn bevallingskosten van hun AOW-uitkering). Ik werd, oneerbiedig, de hekkensluiter genoemd. Een nakomertje, zeiden sommigen. Een vergissing, zeiden de leraren van mijn middelbare school. Maar ik heb mijn vader en moeder nooit zulke woorden horen gebruiken. Integendeel, ik hoorde woorden als: ‘Ik hou van je’ en ‘Ik zou niet weten wat ik zonder je zou moeten doen’. En ze lieten me zien dat ze van me hielden, en dat was net zo belangrijk. Ik was geliefd, net als de rest.
En zo, kleine Jeffrey, zal het bij jou ook gaan. Niet omdat ik dit als voorbeeld heb gehad, of omdat het zo edelmoedig is om zo te denken. Maar omdat God altijd bij deze ‘verrassingen’ een extra dosis genade geeft. En ook omdat het waar is: ik kan me een leven zonder jou niet voorstellen. Een leven zonder: ‘Mag ik op soot, pap.’ Een leven zonder jouw glimlach.
Maar nu is het bedtijd. Jeffrey pakt zijn legoblokjes. Ik grijp zijn kussen en we gaan op weg naar bed. ‘Welterusten, Jeffrey, ik hou van jou.’
‘Ik ook fan jou, pap’, zegt hij. Ah, mijn dag kan niet meer stuk.
Ik besef het nog niet, maar later zal blijken dat dit kind een van Gods grootste geschenken voor mij is. In de komende jaren zal Jeffrey me bij de voordeur tegemoet komen als een speels hondje en zo met zijn glimlach alle ellende van een zware, met stress gevulde dag wegvegen. Ooit zal hij me op zijn vrolijke, bruisende manier eraan herinneren dat God weet wat Hij doet. En dat Hij zijn beste cadeaus geeft als wij genoeg ruimte hebben om die te ontvangen.
Eenmaal terug in bed doezel ik weer weg, totdat ik in de gang gedempte voetstappen hoor. Langzaam komen ze dichterbij. Inbrekers? Ik denk het toch niet!
Recensies uit de krant
1/20/2009NBD/Biblion
Recensies van lezers
Zoeken!
Uw klantgegevens
Welkom
U bent nog niet aangemeld:
Inloggen
Uw winkelwagentje
Leeg
Aanmelden voor de nieuwsbrief
 
 
Uitgeverij Novapres b.v. Krimweg 74 7351 AW Hoenderloo Postbus 18 7350 AA Hoenderloo
Tel:+31(0)55-5422584 Fax:+31(0)55-5425629